De Liberale Spiegel: twaalf vooroordelen recht gezet

De Liberale SpiegelVaak merken we dat vooroordelen over het liberalisme een goede discussie in de weg staan. Daarom hebben Heleen Dupuis, Eerste Kamerlid vanuit de VVD en emeritus-hoogleraar medische ethiek aan de Universiteit Leiden, en Patrick van Schie, directeur van de Teldersstichting, het wetenschappelijk bureau ten behoeve van het liberalisme en de VVD – twaalf van deze vooroordelen samengebracht in wat zij hebben genoemd ‘De Liberale Spiegel’.

De Liberale Spiegel levert een bijdrage tot zelfbezinning, maar tevens munitie voor alle liberalen die in debat met niet-geestverwanten tegen de genoemde vooroordelen aanlopen. De samenstellers hopen dat iedereen – liberaal of andersdenkend, politicus, cursusleider of ‘gewoon’ lid dan wel politiek geïnteresseerd – hun overdenkingen zullen gebruiken om misvattingen over de werkelijke inhoud van het liberalisme uit de wereld te helpen.

 

Vooroordeel 1) 
Liberalisme zet aan tot egoïsme; liberale politiek is asociaal

Liberalen zijn realisten. Zij bouwen hun maatschappij en staat niet op een ideaaltypische mens, laat staan dat zij de mens proberen te vormen/heropvoeden naar een bepaald ideaal model, maar zij nemen tot uitgangspunt de mens zoals hij is, met al zijn deugden en ondeugden.

De neiging het eigenbelang na te jagen, wordt vaak gezien als zo’n ‘ondeugd’. Maar een ‘ondeugd’ op persoonlijk niveau kan op maatschappelijk niveau uitwerken als een ‘deugd’. Wie bijvoorbeeld louter uit winzucht of streven naar roem een nieuw medicijn ontwikkelt, kan wel degelijk veel patiënten helpen die hunkeren naar een goed werkend middel tegen hun kwaal of ziekte. Wat telt is dan niet het motief om het medicijn te ontwikkelen, maar het effect. Anders gezegd, een samenleving waarin mensen hun eigenbelang kunnen nastreven zonder de belangen van hun medemensen te schaden, wint daar veel mee in de zin van opbloei van talenten en economische groei.

Eigenbelang levert voorts niet alleen materieel, maar ook immaterieel veel op. Denk maar aan wederzijdse bevrediging van behoeften aan vriendschap en liefde. Natuurlijk zijn dit relaties waarin bij uitstek aan het geluk van de ander wordt gehecht, maar evenwichtige vriendschap of liefde zal niet kunnen bloeien of blijven bestaan indien het slechts om éénrichtingsverkeer gaat.

De behoefte aan gezelschap, en aan sociale contacten in het algemeen, is de meeste mensen eigen. Weinigen zullen vrijelijk kiezen voor een leven als kluizenaar, al staat dat volgens liberalen natuurlijk vrij voor mensen die dat wel willen. Een liberaal is er dus van overtuigd dat het individu vrijwel altijd uit zichzelf allerlei sociale relaties aan gaat. Essentieel is voor liberalen dat deze relaties zoveel mogelijk uit vrije wil – naar vrije keuze – worden gevormd en daarnaast niet kunstmatig in stand worden gehouden. Sociale relaties van individuen krijgen vorm in een dynamisch proces. Dit sluit bepaald niet uit dat daaronder duurzame relaties zijn, maar individuen mogen nooit de gevangene van bepaalde sociale verbanden worden.

Het liberale mensbeeld is dus socialer dan dat van gemeenschapsdenkers – zoals christen-democraten en sociaal-democraten – omdat liberalen ieder individu de ruimte willen laten om in vrijheid vriendschapsbanden en andere sociale verbindingen aan te gaan. Daarentegen menen gemeenschapsdenkers (bijvoorbeeld christen-democraten en sociaal-democraten) dat de mens prikkels behoeft in de vorm van subsidies e.d. om sociale verbanden aan te gaan of in stand te houden. Liberalen zien de mens als zo sociaal dat dit vanzelf gaat.

Liberalen menen echter dat het geenszins sociaal is om mensen afhankelijk te maken of te houden van sociale groepen/verbanden. Het meest sociaal is een beleid dat individuen een zo groot mogelijke mate van zelfstandigheid biedt/laat. Zelfstandige en zelfbewuste individuen zijn in de praktijk ook de meest sociale wezens. Voor wie immers lekker in zijn vel steekt, zijn sociale contacten geen zoektocht naar zelfbevestiging, maar uitingen van oprechte belangstelling voor de medemens.

 

Vooroordeel 2) Liberalisme is “gewoon jezelf kunnen zijn”

Hier is sprake van een gebrek aan inzicht in de betekenis van het liberalisme. Inderdaad: het liberalisme gaat uit van zelfstandige, niet door overheid, kerk en samenleving geknevelde individuen. Moreel paternalisme vanuit de overheid is taboe in het liberalisme, althans op het privé-terrein van burgers. Hoe mensen willen leven, hoe zij vormgeven aan hun seksualiteit, hoe zij met ziekte en dood omgaan, dat zijn zaken waarin de burger niet mag worden gehinderd door een zichzelf alwetend achtende overheid. De overheid behoort inzake privé-aangelegenheden van burgers neutraal te zijn, tenzij uiteraard de grenzen van de vrijheiden en rechten van andere burgers worden geschaad.

Maar het liberalisme staat wel voor een publieke moraal, die noodzakelijk wordt geacht als ‘metselwerk’ van de samenleving. Alle individuen dienen zich te onderschikken aan een op democratische wijze ingevulde publieke moraal (men zie de Grondwet; een mooi voorbeeld van publieke moraal).

Gewoon jezelf kunnen zijn is dus iets anders en een onverdraaglijk lichte manier van dit alles formuleren. In essentie bepaalt de burger zelf zijn bestaan, dat is het doel van het liberalisme, en de invulling van de vrijheid die basaal is voor deze politieke stroming. Liberalisme streeft ernaar dat mensen uiteindelijk de ruimte en de vrijheid hebben voor eigen idealen en opvattingen.

 

Vooroordeel 3) 
Liberalisme gaat alleen over geld en niet over immateriële waarden

De VVD komt op voor een gezonde economie, beperking van de overheidsuitgaven, een stabiele werkgelegenheid, maar ook voor veiligheid en voor het belang van ons culturele erfgoed. De eerstgenoemde doelen leiden regelmatig tot het verwijt dat liberalen alleen geïnteresseerd zijn in geld.

Het verwijt valt vooral te horen van socialistische zijde. Maar het is een raar verwijt, omdat het van mensen komt die graag de burger zoveel mogelijk belastingen opleggen, om de opgehaalde gelden te kunnen herverdelen onder de bevolking. Dat gaat net zo goed over geld, maar zou dan wel sociaal en verantwoordelijk zijn.

Een gezonde economie geeft zoveel mogelijk burgers kansen op werk en inkomen, en zorgt er bovendien voor dat degenen die het niet redden kunnen worden bijgestaan. Discipline in overheidsuitgaven is vanuit het liberalisme gewenst, om de ruimte voor de burger en zijn eigen initiatieven zo groot mogelijk te houden. Hetzelfde geldt voor werkgelegenheid.

Liberalen gaan er vanuit dat mensen voor zichzelf zorgen, en alleen wie het echt niet redden zullen groothartig worden ondersteund. Dit gaat hoe dan ook op kosten van andere, wel werkende burgers. Het is alleen al daarom een misverstand dat het moreel beter zou zijn het ‘niet werken’ te bevorderen door hoge sociale uitkeringen. Dit doet mensen immers geen goed en verlengt afhankelijkheid en sociale isolatie, en komt – nogmaals – ten laste van wel hardwerkende burgers.

Er is een aanzienlijk verschil tussen wat liberalen voor een goede en verantwoorde sociale politiek houden, en hoe socialisten daarover denken. Hierbij gaat het niet over geld, maar om een visie op menszijn. Menszijn is: er wat van kunnen maken, voor zover dat tot iemands mogelijkheden en capaciteiten behoort. Bij de ontwikkeling van die capaciteiten speelt de overheid voor liberalen een belangrijke voorwaardenscheppende rol.

Dit brengt ons op de immateriële waarden die belangrijk zijn voor liberalen.

Goed onderwijs organiseren en garanderen is in de visie van liberalen een belangrijke taak die de overheid op zich moet nemen, als daarvoor in de samenleving zelf te weinig animo is. Hoe beter iemands opleiding is, hoe groter de kans op meer gezondheid, welzijn en zelfs meer geluk.

Burgers kunnen niet iets van hun leven maken als de overheid geen veilige omgeving garandeert. Dit is een van de immateriële zaken die het liberalisme hoog in het vaandel heeft staan. Het kan niet zo zijn dat kleine groepen kwaadwillende burgers het bestaan van goedwillenden verzieken.

De kwaliteit van leven van burgers wordt ten slotte ook bepaald door het bewustzijn in een historische en culturele traditie te staan. Daarom komen liberalen op voor ons cultureel erfgoed, voor kunst, voor taal, voor de betekenis van de geschiedenis.

 

Vooroordeel 4) Liberalen willen een nachtwakersstaat

Een nachtwakersstaat is een staat waar de overheid zich zo weinig mogelijk bemoeit met de burgers. In de geschiedenis hebben weinig liberalen dit principe ooit voorgestaan. Zo zien we de grote negentiende-eeuwse liberale voorman in Nederland, Johan Rudolph Thorbecke, maatregelen nemen ter verbetering en ruimere toegankelijkheid van het onderwijs en tot uitbreiding van de burgerlijke armenzorg die bij een nachtwakersstaat niet zouden passen. Ten principale hebben ook klassiek-liberalen voor de staat naast een rol voor de bewaring/verzekering van de interne en externe veiligheid, altijd een rol weggelegd gezien in de zorg voor infrastructuur. Dit zowel in fysieke zin (wegen, kanalen e.d.) als in de sociaal-economische zin (garanties bij kredietverstrekking, sociale kassen bij de Rijkspostspaarbank e.d.).

Veel sociale wetten spruiten voort uit initiatieven van liberale politici/partijen. Wel is er meestal een principieel onderscheid tussen wetgeving van liberalen en die van bijvoorbeeld sociaal-democraten. Liberalen zien sociale wetgeving zo mogelijk als een tijdelijke overbrugging van een periode waarin een individu buiten zijn schuld niet zelfvoorzienend kan zijn. Sociaal-democraten zijn meer geneigd permanent voor (bepaalde groepen van) burgers te zorgen.

Het is een misvatting te denken dat liberalen voor een zwakke staat zijn. Liberalen willen de staatstaken inderdaad nauwkeurig afgrenzen, maar daar waar de staat een taak heeft willen ze hem ook goed toerusten voor de uitoefening ervan. Wetten en regels die naar liberale overtuiging noodzakelijk zijn, dienen krachtig te worden gehandhaafd.

Het liberale streven de staat klein te houden, anders gezegd het aantal staatstaken te beperken, is des te relevanter na een eeuw – de 20e – waarin de staat alsmaar uitdijde. Aan de neiging van de staat autonoom te groeien, een neiging die door niet-liberale partijen slechts kunstmatig extra wordt gevoed, moet het hoofd worden geboden. In de huidige omstandigheden is het dringend nodig ruimte voor individuen te herwinnen.

 

Vooroordeel 5) Liberalen hebben geen oog voor het algemeen belang

Al in de 19e eeuw bestond liberale politiek bij uitstek aan de vormgeving van het algemeen belang. Maar liberalen onderscheiden zich van de meeste andere stromingen door niet alles dat van belang is, te verklaren tot algemeen belang, en daarmee tot zaken waar de politiek zich in zou moeten mengen. Juist veel zaken die voor individuen van het grootste belang zijn (liefde, zingeving e.d.) behoren om die reden tot het privé-domein.

Liberalen hebben de samenleving juist weten te bevrijden uit de greep van particuliere belangen. In plaats van vorstelijke willekeur en privileges vestigden zij rechtsgelijkheid en onderworpenheid van alle burgers (met inbegrip van degenen die macht uitoefenen) aan de wet. In plaats van het gildensysteem en andere bevoorrechting van bijzondere belangen, braken zij de maatschappij (en de markt) open voor iedereen die anderen iets te bieden heeft.

Ook later hebben liberalen steeds de voorkeur gegeven aan generiek beleid (beleid voor alle burgers) boven specifiek beleid (beleid slechts gericht op bepaalde groepen burgers, waarmee dan vanzelf nieuwe voorrechten ontstaan).

Dé vraag voor liberalen is natuurlijk wel: wat ís het algemeen belang. In ieder geval vallen daaronder: de liberale rechtsstaat, met waarborging van individuele vrijheidsrechten en met democratische beïnvloeding van en controle op de politiek; ontplooiingsmogelijkheden voor het individu, bovenal door goed onderwijs; veiligheid; volksgezondheid (preventieve maatregelen inzake hygiëne, screening, vaccinatie e.d.).

 

Vooroordeel 6) 
Het liberalisme bedrijft Verlichtingsfundamentalisme. Het wil namelijk zijn vrijheid opleggen

Fundamentalisme is het streven de samenleving in te richten volgens vaste, niet betwistbare zekerheden (dogma’s). Individuele voorkeuren die daarvan afwijken moeten daarvoor wijken; zulke individuen moeten zich naar het van bovenaf bepaalde patroon voegen, zich schikken. Liberalen plaatsen de vrijheid van het individu voorop. In de liberale samenleving mag alles ter discussie worden gesteld; ook belangrijke liberale waarden moeten indien uitgedaagd de ‘proof of the pudding’ doorstaan (het Popperiaanse principe van ‘falsificatie’); zij moeten, anders gezegd, met argumenten worden hooggehouden en niet door botte machts- of ‘gezags’-uitoefening.

Vrijheid opleggen is een contradictio in terminis. Vrijheid kan niet worden opgelegd, slechts worden geboden. De liberale vrijheid is niet bij voorbaat ingevuld; het is aan alle individuen om, ieder voor zich, invulling aan de eigen vrijheid te geven. Anders gezegd: liberalen geven individuen vrijheid zonder te (willen) weten wat deze individuen met hun vrijheid gaan doen. Het kan goed zijn dat een liberaal politicus bemerkt dat burgers anders met hun vrijheid omgaan dan híj voor zichzelf als ideaal beschouwt. Toch laten liberalen vrijheid aan de burgers, zolang die met hun vrijheid de vrijheid van hun medeburgers (of notoire algemene belangen) niet schaden.

Concreet betekent dit bijvoorbeeld dat de vrijheid van meningsuiting als fundamentele waarde in onze samenleving ruim moet worden gehanteerd. De vrijheid van meningsuiting is niet hetzelfde als een vrijheid om te kwetsen, maar omvat wel het recht om meningen uit te dragen die door anderen als kwetsend kunnen worden ervaren. Het recht op vrijheid van meningsuiting ontleent juist zijn betekenis aan de mogelijkheid om controversiële opvattingen te verkondigen. Voor het uitdragen van meningen die gemeengoed zijn, is een dergelijk recht niet nodig. Het recht op vrijheid van meningsuiting bestaat om meningen te kunnen ventileren en te horen, die prikkelen en op weerstand stuiten. Of een andere burger zo’n mening als beledigend ervaart, kan niet het criterium zijn om een mening uit het openbaar debat te bannen. Slechts aan een vaststelling van de rechter dat er van een objectiveerbare belediging, smaad of laster sprake is – als er dus reëel geleden schade wordt geconstateerd – kan een grond tot inperking worden ontleend.

 

Vooroordeel 7) Liberalen zijn tegen godsdienst

Liberalen zijn niet tegen godsdienst, integendeel. Een partij als de VVD biedt plaats aan tal van mensen met een godsdienstige overtuiging. Verhoudingsgewijs minder weliswaar dan in het CDA, omdat die partij de christelijke overtuiging (van welke signatuur dan ook, er zijn er nog al wat) als uitgangspunt voor het politiek handelen neemt.

Dat is bij liberalen juist niet het geval; hoezeer een aantal van hen zich gebonden weet aan een levensbeschouwing, toch kiezen zij ervoor om die niet als uitgangspunt van hun politiek handelen te beschouwen. In tegendeel, het liberalisme gaat voor de scheiding van kerk en staat. De godsdienst is een eigen domein, waar vrijheid past, en waar de staat zich niet in moet mengen. Deze eis van godsdienstvrijheid van de burger moet vooral begrepen worden tegen de achtergrond van de klassieke Verlichting, die ontstond in tijden waarin ketters nog verbrand werden, en de staat (vorst) burgers geen ruimte gunde voor een eigen geloofskeuze. Het gaat hier om een klassiek grondrecht, dat vooral gericht is op non-interventie van de overheid op het gebied van individuele geloofsovertuigingen.

Godsdienstvrijheid houdt niet in dat elke uiting van godsdienst in het publieke domein geaccepteerd moet worden. In het publieke domein gelden allereerst de rechtsregels van de democratische rechtstaat. Het denken is vrij, het handelen minder.

Liberalen zijn het pertinent niet eens met de traditionele visie van het CDA dat zonder geloof geen democratie mogelijk is. Voor liberalen ligt de democratie verankerd in een geloof in de rede en in de mogelijkheid om een publieke moraal te formuleren en realiseren.

 

Vooroordeel 8) 
Liberalen zijn verdraagzaam, omdat ze geen eigen waarden hebben

Sommige mensen – liberalen en niet-liberalen – denken dat het liberalisme een soort waardenvrijheid zou inhouden. Niets is minder waar, zoals ook al uit het voorgaande blijkt.

Om te beginnen zijn de uitgangspunten van de Verlichting, waarop het liberalisme teruggaat, juist vol van waarden: vrijheid; verantwoord burgerschap; tolerantie jegens andersdenkende (niet: handelende) medeburgers; ruimte voor een eigen privéleven, ongehinderd door kerk, vorst of staat; gelijkwaardigheid van mensen. Overkoepelend uitgangspunt is dat mensen in zekere zin broeders zijn en elkaar niet behoren te schaden. Deze waarden zijn alle in onze Grondwet terug te vinden.

Liberalisme is dus niet waarden-vrij. In tegendeel: het biedt een consistente visie op de verhouding overheid-burger en een krachtige structuur voor het publieke domein. Daarnaast erkent het liberalisme dat er een privédomein van burgers is, waarin deze burgers verschillende visies kunnen aanhangen op punten van omgang met seksualiteit, ziekte en het einde van het leven. Hierbij geldt dat er weinig consequenties van het individueel handelen te verwachten zijn voor de samenleving.

Tolerantie ten opzichte van de eigen keuzen van burgers in dit domein betekent niet dat het morele karakter van deze visies en handelingen wordt miskend, maar dat liberalen anderen en elkaar daarin geen waarden willen opleggen (dit bij voorbeeld i.t.t. de christen-democratie). Meer nog: de overheid behoort hier afzijdig te blijven. De meerderheid mag zijn visie niet opleggen aan de minderheid, en alleen daar waar het individueel handelen schadelijk zou zijn voor anderen behoort de overheid grenzen te stellen (men denke aan bijvoorbeeld pedofilie).

Wat betreft waarden in het publieke domein kiest het liberalisme voor de democratische rechtsstaat met alle waarden die daarbij horen. Wie schudt aan de grondvesten van deze staatsvorm met zijn erkenning van grondrechten van de burger, zal niet op tolerantie kunnen rekenen.

 

Vooroordeel 9) Liberalisme is elitair

De visie van het liberalisme op de positie van de (werkende) mens is bepaald niet elitair. Liberalen gaan voor verbetering van de positie van allen die van hun bestaan iets willen maken. Voor een gemakkelijk toegankelijke sociale verzekeringsuitkering behoeft men niet bij liberalen langs te gaan. Maar wie echt in de kou staat kan rekenen op krachtige ondersteuning.

In Nederland is sprake van een relatief grote middenklasse, die zwaar wordt aangeslagen door belastingen en allerlei andere heffingen. Deze middenklasse betaalt het meest aan de uitkeringen die in Nederland nog altijd royaal worden verstrekt. Daarom komen liberalen juist op voor de middenklasse, die het in ons systeem zwaar te verduren heeft. De echt gefortuneerden hebben die steun niet nodig, ‘Jan Modaal’ des te meer.

Uiteraard komt het liberalisme op voor de arbeidende klasse, als die door ongunstige werkomstandigheden en een lage betaling wordt benadeeld. Liberalisme is niet elitair, en heeft dat door de geschiedenis heen bewezen.

De vraag waar de ongelijkheid in de samenleving vandaan komt, houdt ook liberalen bezig. Op deze vraag is geen simpel antwoord te geven. Wat liberalen beogen is door onderwijs, veiligheid, en een gezonde economie zoveel burgers als mogelijk een goede startpositie te geven. Daarnaast is (in beperkte mate) natuurlijk ook de instelling van de burgers zelf van belang. Wie niet wil, zal niet op steun en sympathie van liberalen kunnen rekenen. Hierbij is sprake van een maatschappelijke realiteit dat veel mensen die het nu (na decennia van een zeer progressieve sociale politiek) nog steeds niet redden, dat mogelijk aan zichzelf te wijten hebben. Wie er nu nog niets van gemaakt heeft, heeft geen excuus meer. Dit is moeilijk om toe te geven, vandaar dat er in sommige kringen boosheid, jaloezie en negativisme heerst. Dit is een probleem dat nadere bestudering en aanpak verdient.

 

Vooroordeel 10) 
Liberalen zijn koud en harteloos, want ze zijn alleen bezig vanuit de rede

In een op de Verlichting gebaseerde politieke stroming speelt de rede inderdaad een belangrijke rol. De rede stelt in de liberale visie de mens in staat zijn leven in eigen hand te nemen, zich te verzetten tegen tirannie van kerk en staat, en van immorele medeburgers. Redelijk overleg, een open debat, (maar wel vanuit beginselen!) is voor liberalen een betere manier om te werken aan de samenleving dan door geschreeuw en acties. Liever de rede dan Agitprop en Verelendungstheorieën! Dit is niet alleen een kwestie van stijl, maar ook van inhoud. Ken de feiten, formuleer een beargumenteerd standpunt, houd respect voor anderen, dat is de houding van liberalen. Emoties gelden uiteraard, maar zij dienen in politieke debatten te worden getransformeerd tot heldere argumenten. Liberalen gaan niet gauw de straat op, zij argumenteren.

 

Vooroordeel 11) 
Het liberalisme heeft geen oog voor de natie en voor nationale gevoelens

Voor een deel is dit juist. Het doet in beginsel niet ter zake waar een individu woont of geboren is, vrijheid komt hem volgens liberalen altijd toe. In die zin is het liberalisme universeel en cosmopolitisch. Toch was er vanouds een duidelijk verband tussen individuele vrijheid en nationale vrijheid, zowel met nationale bewegingen die naar eenmaking streefden (bv. Duitsland, Italië) als met nationale bewegingen die naar afscheiding streefden (bv. België, Griekenland).

In de ‘Sociaal contract’-gedachte (Hobbes, Locke) ligt wel degelijk een verband tussen individu en natie besloten. Individuen geven door het sluiten van een burgerschapscontract hun eigen absolute vrijheid op ten behoeve van een samenleving die voor alle contractpartners zo vrij en veilig mogelijk is. Dit is een contract tussen hen onderling, maar tevens een daad waarmee zij zich ten dele afzonderen van de individuen die geen contractpartij zijn.

Voor een werkbaar staatkundig verband is een zekere mate van samenhang tussen de burgers nodig, noem het ‘gedeeld burgerschap’. Dit bevat ook een element van solidariteit, maar dan wel spontane solidariteit van onderop, geen afgedwongen ‘solidariteit’.

Niettemin plaatst het aspect van de internationalisering en haar invloed op natie en staat, alle politiek stromingen – dus ook het liberalisme – voor grote uitdagingen. Wil het liberalisme ook in de 21e eeuw relevant zijn, dan moet het antwoord bieden op de problemen die voortvloeien uit deze internationalisering (economische en culturele globalisering, europeanisering) en oog hebben voor en plaats bieden aan de realiteit van nationale gevoelens.

 

Vooroordeel 12) 
Het liberalisme bedrijft marktfundamentalisme. Onder invloed van het ‘neo-liberalisme’ worden allerlei publieke zaken ‘in de uitverkoop’ gedaan

De markt is niet meer of minder dan op economisch terrein de plek waar volgens liberalen individuele keuzevrijheid voorop moet staan. Liberalen zijn voor de vrije markt, omdat en voor zover burgers daar in hun rol als consument een zo groot mogelijke keuzevrijheid hebben. De vrije markt prikkelt ondernemers – door de concurrentie – om hun (potentiële) klanten kwalitatief zo hoogwaardig mogelijke waar tegen een zo laag mogelijke prijs te bieden.

De markt is niet goed of slecht; hij is moreel neutraal. Het zijn de mensen die op de markt opereren, die het morele gehalte bepalen. De uitkomsten van de markt zijn dus zo goed en zo slecht als de ‘spelers’ op de markt. Maar de markt prikkelt wel tot goed gedrag. Individuele deugden als stiptheid, het nakomen van afspraken, spaarzaamheid en vindingrijkheid ondervinden er waardering.

Beslissingen via de markt zijn te prefereren boven die via de staat:

  • omdat concurrentie (inclusief de mogelijkheid failliet te kunnen gaan) en de vrije keuze een rem vormen op ‘slechte’ daden, veel meer dan dat er zulke remmen zijn op slechtheid van ambtenaren en politici, aan wier beslissingen er voor de burgers bovendien geen ontsnappen aan is. De markt vormt dus een betere waarborg tegen machtsopeenhoping en daarmee tegen machtsmisbruik, dan de overheid;
  • 
omdat de staat de voorkeuren en deelbelangen van mensen en daarmee de in de samenleving aanwezige informatie over vraag en aanbod nooit kan overzien, en het dus niet mogelijk is een ‘algemeen economisch belang’ te definiëren, laat staan daar een beleid op te voeren (zoals de grote twintigste-eeuwse liberaal Hayek heeft aangetoond).

Essentieel voor de vraag of de markt goed kan werken is dus wel de vraag of er open toe- en uittreding kan plaatsvinden. De markt moet open blijven. Monopolievorming moet worden voorkomen (overigens vloeit zij vaak juist voort uit beschermingsconstructies door de overheid). Antikartelwetgeving is daarom liberaal. Eurocommissaris Neelie Kroes handelde daarom in een goed-liberale traditie toen zij kunstmatige kartels en monopolies (bijvoorbeeld Microsoft) dwong zich bloot te stellen aan de tucht van de concurrentie, dit in het belang van de consument. Kan een markt niet goed werken, dan moet niet op privatisering worden aangestuurd óf is er een zekere mate van publiek (of althans onafhankelijk) toezicht nodig, op grond van het algemeen belang.

Reacties (1)

Wat een prachtig Liberaal betoog. Ik heb het meteen naar een paar linkse intellectuelen in mijn vriendenkring gestuurd. Ik zeg vaak gemeend tegen deze vrienden, dat er een groot Liberaal in hen huist, als zij maar in staat waren om hun vooroordelen tegen het Liberalisme, zoals hierboven prachtig omschreven, loste laten. Tevens zouden ze daarbij hun aanname van het moreel gelijk (typisch links) en de bijbehorende dogma's dienen te verlaten.

Mijn geadviseerde leesvolgorde zou zijn 9, 1, 11, 5 en dan naar keuze verder. Vooral het verwijt dat Liberalisme elitair zou zijn, is mij een doorn in het oog en zeer onwaar. Mooi omschreven in punt 9.

Ten slotte voeg ik mijn linkse vrienden altijd toe, dat Liberalisme niet rechts is, hen daarbij veelal onthutst in verwarring achterlatend. Het politieke speelveld bestaat namelijk uit een kwadrant, niet uit links-rechts.
Zie hiervoor http://nl.wikipedia.org/wiki/Politiek_spectrum

Ik denk dat het Liberalisme veel meer voor onze democratische rechtsstaat heeft gedaan dan welke stroming dan ook.
27 mrt 2012 om 14:57, door Marcus Rolloos

Reageren

* - verplichte velden